De zomervakantie bracht mij en de elfjarige dit jaar naar Zeeland. Een walhalla natuurlijk voor een jochie dat al jarenlang bioloog wil worden. Zijn eerste woordje was ‘krab’, dus zijn vader en ik hadden al vrij vroeg in de gaten dat onze oudste een nogal grote dierenliefhebber is. Al voor vertrek was de bioloog in spé bezig met welke vissen hij zou vangen en welke dieren we zouden zien. De grootste wens? Zeehonden spotten en bijzondere vogels zien. Zodra we onze spullen in het appartement hadden gedeponeerd, togen we met visnet en emmer naar het strand. De bioloog rende door de golven met zijn net en liet enthousiast de vangst zien. Ik veinsde een grote interesse in de slijmvissen en garnalen en riep ondertussen: ,,Pas je op voor de kwallen?” want met een oostenwind verandert het strand in een soort kwallen-begraafplaats. Ineens juichte mijn oudste en riep dat ik meteen moest komen. Ik slalomde tussen de kwallen door naar de elfjarige die vol enthousiasme wees op een kwal. ,,Dit is een ribkwal!” gilde hij. ,,Weet je wel hoe bijzonder die zijn?” Nee. Dat wist ik niet. Een kwal is een kwal. Ik had geen idee dat er meerdere soorten zijn.









