AFSCHEID ARCHIVARIS JAN PEIJNENBURG VAN BISDOM

’Nog altijd even graag priester als vroeger’

© Brabants Centrum

OP DE FOTO: Jan Peijnenburg neemt afscheid van het archief van het bisdom Den Bosch. De archivaris bestudeert op de foto stukken uit het archief van het Grootseminarie van Haaren.

Jan Peijnenburg (67) heeft nog nooit in Boxtel gewoond, maar hij voelt zich hier beter thuis dan in zijn geboortestad Eindhoven of zijn woonplaats ’s-Hertogenbosch. Na 34 jaar neemt de archivaris van het bisdom Den Bosch afscheid van een van de meest bijzondere werkplekken aan de Parade in de Noord-Brabantse hoofdstad. Een gesprek over de liefde voor geschiedenis en heemkunde, de passie voor het Duits Lijntje en de innige verbondenheid met de kerk. ,,De kerk in Brabant zal herleven, ook al maak ik het misschien niet meer mee. Ooit komt Brabant zijn eigen verleden tegen en daarbij hoort ook het geloof.”

Het getuigschrift van de Katholieke Universiteit Nijmegen dat herinnert aan zijn promotie op ’alter ego’ Judocus Smits in 1976 staat klaar voor de verhuizing. Aan de muur hangt nog een foto waarop hij een exemplaar van zijn studie over bisschop Zwijsen op het Sint-Pietersplein te Rome overhandigt aan paus Johannes Paulus II. Op zijn bureau stapels papieren voor zijn opvolger, Eugène van Deutekom. Doctor Jan Peijnenburg, archivaris van het bisdom Den Bosch en kerkhistoricus, neemt afscheid. ,,Formeel ben ik op 1 juli gestopt, maar je weet hoe dat gaat. Ik blijf nog flink wat rommelen en dat zal de komende jaren wel zo blijven.”

Op 10 september neemt Peijnenburg officieel afscheid als archivaris. Dat doet hij met een feestelijke eucharistieviering in het Bossche Sint-Janscentrum, de ’kweekschool’ waar het Bossche bisdom priesters opleidt. Die dag verschijnt ook een bundel, waarin onder meer Peijnenburgs preek wordt opgenomen die hij vier jaar geleden uitsprak ter gelegenheid van zijn veertigjarig priesterjubileum. De archivaris realiseert zich dat ’zijn’ archief na zijn vertrek gemoderniseerd zal worden. Er komt op termijn een toegang via internet. ,,Ik ben nooit zo’n computerman geweest”, lacht hij. ,,Ik heb ooit drie dagen computerles gehad. Ik heb de bisschop toen gezegd dat ik die dagen meer hoofdpijn had dan in de voorgaande dertig jaar. De computer is toen weer weggehaald.”

VERBONDENHEID
Hoewel zijn familiewortels teruggaan naar Boxtel, heeft Peijnenburg op het eerste gezicht niets met Boxtel. Hij werd in 1936 geboren in Eindhoven, ging naar het gymnasium Beekvliet in Sint-Michielsgestel, stapte over naar het Grootseminarie in Haaren en werd na de priesterwijding in 1960 door bisschop Bekkers kapelaan in Bladel. Sinds 1970, na het vertrek van voorganger Harrie Hens, is Peijnenburg werkzaam in het bisschoppelijk archief en woont hij in ’s-Hertogenbosch. Toch voelt hij zich innig verbonden met Boxtel. ,,Ik beschouw me als een soort indirecte parochiaan van de Sint-Petrusparochie”, grinnikt Peijnenburg. ,,Mijn ouders zijn hier in 1902 en 1903 gedoopt.”

Zijn grootouders woonden in het buitengebied van Boxtel. Opa Peijnenburg was overwegwachter op de plek waar het Duits Lijntje samenvloeit met de spoorlijn Boxtel-Eindhoven. Daar woonde hij in een huisje dat tot de sloop in 1984 tussen beide spoorlijnen was gelegen. Opa en oma van moeders kant woonden op de Vorst. En er zijn meer banden. ,,Mijn moeder nam ons vroeger iedere zondag vanuit Eindhoven met de trein mee naar de Vorst. Mijn tante was werkzaam voor pastoor Manders in Lennisheuvel. In mijn jonge jaren logeerde ik regelmatig op de pastorie van Lennisheuvel. Onder Manders heb ik nog als misdienaar de mis gediend.”

In een later stadium bleven de banden met Boxtel behouden. Peijnenburg loopt jaarlijks mee met de Heilig Bloedprocessie. Als archivaris kreeg hij het beheer over het complete archief van de Sint-Petrusparochie. Trots toont hij de doopboeken waarin de namen van zijn ouders staan vermeld. Sinds 1992, toen pastoor Norbert Smulders afscheid nam als pastoor van Lennisheuvel, werd Peijnenburg door de bisschop gevraagd om het kerkelijk leven in het dorp op peil te houden. En nog steeds is hij eenmaal per maand actief in de Sint-Theresiakerk. ,,Misschien wordt dat wat minder nu pastoor Harrie van de Tillaart is benoemd.”

HEIMWEE
Ondanks zijn bewondering voor pastoor Manders van Lennisheuvel was het de Eindhovense pastoor Jan Smulders die Peijnenburg op het juiste spoor zette om priester te worden. ,,Ik heb altijd priester willen worden”, blikt de archivaris terug. Op twaalfjarige leeftijd vertrok hij naar Beekvliet, waar hij in het internaat verbleef. Maandenlang kwam hij niet thuis. ,,Natuurlijk hadden we allemaal verschrikkelijk heimwee en hebben we onze weg moeten zoeken. Als je na een paar vrije dagen terug moest, werd er best wel eens een traantje gelaten. Die mannen van het Sint-Janscentrum kunnen zich dat nu bijna niet voorstellen, maar ja, die kunnen ieder weekeinde naar huis.”

Peijnenburgs liefde voor studeren bracht bisschop Bekkers op het idee hem in de jaren zestig naar de Katholieke Universiteit Nijmegen te sturen. Vanwege zijn priesteropleiding aan het Grootseminarie in Haaren kon hij instromen en voltooide hij in 1967 zijn doctoraalstudie. Na afronding van de rijksarchiefschool werd hij archivaris van het bisdom Den Bosch. Een eigen parochie heeft Peijnenburg dus nooit gehad. ,,Het is één keer ter sprake gekomen, maar bisschop Bluyssen heeft het me uit mijn hoofd gepraat. Hij zei: ’We hebben jou laten studeren en het is zonde om al die kennis in de kast te zetten’. Ik denk dat hij gelijk heeft gehad. Ik heb met mijn werk een bijdrage kunnen leveren aan de wetenschap.”

De archivaris onderstreept dat hij zich niet alleen met archiefstukken heeft beziggehouden. Zo is hij al sinds 1972 rector van bejaardenhuis Zuiderschans in ’s-Hertogenbosch. Iedere avond gaat hij daar voor in een eucharistieviering. ,,Je zou kunnen zeggen dat Zuiderschans mijn parochie is. Op die manier geniet ik van het echte pastorale werk.” Lachend: ,,Je begrijpt dat ik beter ben in uitvaarten dan doopsels. Ik denk dat ik in 32 jaar zo’n zevenhonderd uitvaarten heb gehad. Logisch als je rector bent in een huis waar alleen maar oudere mensen wonen.”

DUITS LIJNTJE
Pratend over Lennisheuvel komt Peijnenburg op een van zijn grootste liefhebberijen: het Duits Lijntje. Meermaals verzorgde hij voor de Heemkundekring Boxtel een lezing over de vroegere spoorlijn van Boxtel naar Wesel in Duitsland. Natuurlijk, zijn opa was overwegwachter bij het lijntje en dat verklaart veel. Maar het reizen per trein vanuit Eindhoven naar het station in Boxtel droeg ook bij aan de spoorliefde. ,,Ik herinner me als de dag van gisteren dat ik in 1944 op het perron in Boxtel door een Duitse militair in de trein werd gehesen. Het zijn van die dingen die je nooit meer vergeet.”

Nog altijd als Peijnenburg op weg is naar Lennisheuvel gaat hij kijken bij het Duits Lijntje. Hij houdt eventjes halt bij de Oirschotseweg en ziet tot zijn grote verdriet dat de rails roesten. ,,De tranen springen in mijn ogen als ik zie hoe troosteloos het lijntje erbij ligt. Als je bedenkt hoe Veghel en Uden zijn gegroeid en hoe lang de files langs de Zuid-Willemsvaart iedere dag zijn, dan moet het toch lonend zijn om een trein te laten rijden. Al was het maar in de spitsuren... Ik zie het al voor me: een modern dieseltje dat haltes aandoet in Veghel, Schijndel en Liempde. Nee, ze hadden die lijn nooit op mogen breken.”

Het Duits Lijntje vervult een belangrijke rol in zijn privé-archief. Maar de collectie staat in geen verhouding tot de waardevolle stukken in het bisschoppelijk archief. Peijnenburg toont een charter uit 1303 dat afkomstig is uit het archief van de Karthuizers van Vught. Het oudste stuk laat hij ook zien. Het is een akte van oprichting van een klooster in Binderen bij Helmond, daterend uit 1238. Maar er zijn meer bijzondere stukken, zoals het archief van het Grootseminarie van Haaren, waar Peijnenburg van 1954 tot 1960 de priesteropleiding volgde. Grinnikend: ,,Ik was later als archivaris in de positie om te bekijken hoe ze destijds over mij dachten.”

KERK IN NOOD?
De crisis in de katholieke kerk en de terugloop in het kerkbezoek zijn onderwerpen waar Peijnenburg niet omheen draait. Hij constateert dat de crisis begon in de periode dat hij voor het priesterschap studeerde. ,,Er ligt natuurlijk geen causaal verband”, zegt hij gekscherend. Serieus: ,,Met pijn in het hart zie ik dat we als kerk nog steeds geen passend antwoord hebben gevonden. Maar de kerk heeft meer crises doorgemaakt en zal het altijd volhouden. Met bisschop Hurkmans ben ik er van overtuigd dat de kerk in Brabant zal overleven, ook al zal ik het misschien niet meer meemaken. Ik hou van de kerk als een gemeenschap van mensen die met het evangelie bezig is. Ondanks alles ben ik een dankbaar mens en een gelukkig priester. Ik ben nog even graag priester als op de dag waarop ik door bisschop Bekkers werd gewijd.”

Afscheid nemen van de kerk is er dan, ondanks de officiële momenten in september, niet bij. Peijnenburg gaat na zijn vertrek als archivaris studie maken van de priesteropleidingen in het bisdom van Den Bosch sinds het Concilie van Trente in 1571. Daarnaast kijkt hij voorzichtig naar het jaar 2009, wanneer het bisdom 450 jaar bestaat. ,,Dan moet er een goed boek verschijnen waaraan ik graag zal meewerken. Het bisdom van Breda heeft ook zo’n boek gemaakt. Maar dat gaan we overtreffen hoor. Ik heb tegen mijn vroegere studiegenoot Tiny Muskens (thans bisschop van Breda – red.) gezegd dat we ons in Den Bosch niet laten inpakken door West-Brabanders.”




8 juli 2004

Print deze pagina

Terug