UNIEKE VONDST VAN BARNSTENEN BACCHUS IN 1960

Rijke Romeinse graven ontdekt
in Esch

OP DE FOTO: Opname van het beroemde barnstenen Bacchusbeeldje (tien bij tien centimeter) dat in 1960 in Esch werd opgegraven uit een rijk Romeins graf. (Foto: Noordbrabants Museum, 's-Hertogenbosch).

Het dorp Esch stond in de periode tussen 1952 en 1961 in het middelpunt van de belangstelling vanwege de ontdekking en opgraving van zeven rijke graven uit de Romeinse tijd. De overledenen, waarschijnlijk rijke inheemse boeren die produceerden voor de bij de grote rivieren in Midden-Nederland gevestigde Romeinse garnizoenen, hadden na hun crematie onder meer prachtig glaswerk, sieraden, aardewerk en zelfs spullen om op de Romeinse manier te baden in het graf meegekregen. Veruit het beroemdste voorwerp dat in Esch werd opgegraven, was het barnstenen Bacchusbeeldje (tien bij tien centimeter), dat in 1960 ontdekt werd.

De zeven Romeinse graven in Esch worden gerekend tot de categorie van de zogeheten tumulusgraven, dit op grond van de ooit aanwezige grafheuvel. Nauwkeurige bestudering heeft de deskundigen ervan overtuigd dat alle graven in Esch zijn geconstrueerd binnen een tijdsbestek van ongeveer 75 jaar, van circa 175 tot 250 na Christus.

De eerste drie graven werden ontdekt en opgegraven in de periode 1950-1952 en bevonden zich op de Kollenberg in Esch. De graven IV-VII (graven werden aangeduid met Romeinse becijfering - red.) werden tussen 1959 en 1961 opgegraven op een terrein aan de Haarenseweg met de naam Hoogkeiteren. Hier werd in graf V, dat bekend stond als 'het graf van de rijke dame' en beschouwd wordt als het rijkste van alle graven in Esch, naast onder meer veel luxe glaswerk, twee barnstenen hangertjes en vier mantelspelden het beroemde Bacchusbeeldje opgegraven. Het origineel hiervan maakt deel uit van de collectie van het Noordbrabants Museum terwijl de bierpomp in Esch gesierd wordt door een bronzen kopie.

,,Het unieke aan de vondst van het beeldje in Esch is dat het uit barnsteen is vervaardigd. Soortgelijke voorstellingen van Bacchus kwamen al voor in mozaïek en marmer, maar niet in barnsteen", aldus de in Tilburg woonachtige Bart van den Hurk (71). De huidige conservator van het Oudheidkundig Museum Sint-Michielsgestel (gevestigd in Viataal, het voormalige Instituut voor Doven - red) staat bekend als dé specialist van de Romeinse opgravingen in Esch.

Van den Hurk promoveerde met zijn uit vijf delen bestaande proefschrift 'The Tumuli from the Roman Period of Esch, Province of North Brabant' in 1986 tot doctor in de letteren aan de Katholieke Universiteit in Nijmegen. Zijn promotor was professor Jules Bogaers, onder wiens wetenschappelijke leiding zich alle opgravingen in Esch voltrokken hebben.

Van den Hurk: ,,Het bijzondere van het Bacchusbeeldje was daarnaast dat het honderd procent Romeins was; het had in Rome gevonden kunnen worden, maar dat het juist in het Brabantse Esch ontdekt werd, was heel bijzonder. Op het eerste gezicht maakte het tafereeltje, dat op het beeldje te zien is, een ietwat burleske, een tikkeltje ordinaire indruk. Bacchus die aangeschoten is, heeft de ondersteuning nodig van een van zijn dienaren, een satyr."

Hij vervolgt: ,,Het beeldje had echter ook een diepe religieuze betekenis. Dat blijkt uit het feit dat deze zelfde dronken Bacchus is afgebeeld op een marmeren sarcofaag die gevonden is onder de Sint-Pieter in Rome. De dronkenschap van Bacchus verbeeldt op dit soort monumenten de gelukzaligheid die zijn volgelingen in het hiernamaals deelachtig zal worden."

VERBAZING
Met de ontdekkingen in Esch was volgens Van den Hurk de mediterrane wereld even plotseling als spectaculair opgedoken in het Brabantse land. ,,Verbazing alom", schreef hij ooit in een bijdrage over de Romeinse ontdekkingen in Esch. ,,Dat het Bacchusbeeldje enige religieuze betekenis gehad zou hebben voor de overledenen was nog moeilijker te geloven dan dat men er in deze uithoek Romeinse badgewoonten op na had gehouden. De opgravingen in Esch zorgden voor de eerste belangrijke ontdekkingen uit de Romeinse tijd in Brabant. Tot dat moment was er, buiten wat munten en aardewerk, nooit iets van belang aangetroffen uit die tijd. Wat zouden de Romeinen immers te zoeken gehad hebben op de armelijke Brabantse zandgronden?", aldus Van den Hurk.

,,Sinds de ontdekkingen in Esch is dat totaal veranderd. Vanaf toen viel er in elk decennium wel een belangrijke vondst uit de Romeinse tijd in Noord-Brabant te melden. In de jaren zestig en zeventig in Vught en Halder, in de jaren tachtig in Hoogeloon en in de negentiger jaren een tempelcomplex in Empel. De conclusie moest zijn dat in Brabant en dan vooral in het stroomgebied van de Dommel, de romanisering veel dieper was doorgedrongen dan ooit was vermoed."

Opmerkelijk is het verhaal over het zevende graf (graf VII), dat eind 1960 ontdekt werd. Het lag pal ten noorden van 'het graf van de rijke dame' (graf V) en gezien de omheining bij het graf zou het hier ook gaan om een belangrijk persoon. Vandaar dat de benaming van het graf al bij voorbaat 'het graf van de rijke heer' was.

Om de kroon op het werk te zetten werd onder andere door professor Bogaers besloten tot een in de Nederlandse archeologische wereld nog nooit vertoonde operatie: graf VII werd in de periode van 12 tot 27 mei 1961 met behulp van de Landmacht geheel uit de grond gelicht en naar Amersfoort getransporteerd, de thuishaven van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Daar zou het ongestoord en onafhankelijk van de weersomstandigheden onderzocht kunnen worden.

De militair-archeologische operatie, die landelijk bekendheid verwierf onder de naam 'Operatie Taartschep' mondde uit in een forse tegenvaller. Van den Hurk: ,,Alle graven in Esch hadden een verrassing in petto, maar de verrassing van graf zeven was dat er niets bijzonders in zat."

In het Oudheidkundig Museum Sint-Michielsgestel (Theerestraat 42, Viataal), waar men volgens conservator Bart van den Hurk 'het gezicht van het Romeinse Brabant' kan aanschouwen, worden Brabantse vondsten uit de Romeinse tijd tentoongesteld, waaronder uit Esch. Het museum is geopend op dinsdag van 10.00 tot 16.00 uur en elke eerste zondag van de maand, van 13.00 tot 16.00 uur. Het telefoonnummer van het museum is: (073) 551 79 03.

Wat er verder gebeurde in 1960:

  • Vertegenwoordigers van alle sportverenigingen komen in januari bijeen om tot oprichting over te gaan van een Boxtelse sportraad. De raad bestaat uit twee vertegenwoordigers van elke vereniging.

  • In Esch (landgoed Den Eikenhorst) overlijdt op vrijdag 9 januari op 83-jarige leeftijd ir. H.A. Henket. Henket was oud-Rijkshoofdinspecteur van het Verkeer. Zijn lichaam wordt bijgezet in het familiegraf in Esch.

  • Boxtels oudste handwever Jan Voets (75) maakt begin maart zijn opwachting op televisie in de rubriek 'Televitrine' van de KRO. Gezeten achter zijn getouw praat hij over zijn karakteristieke oude beroep.

  • Op zaterdag 13 augustus wordt de nieuwe kerk in de wijk Selissen in gebruik genomen. Het godshuis wordt ingezegend door pastoor De Beer. De meningen over het moderne bouwwerk zijn verdeeld.

  • Door de rijks- en gemeentepolitie wordt in de maand oktober een groot aantal inbraken in de regio Boxtel opgehelderd. Ingebroken wordt onder meer in de Mariaschool in Gemonde.




18 maart 2004

Print deze pagina

Terug