JOSÉ VAN DIJCK HOOGLERAAR MEDIASTUDIES AAN UvA

’Een van de Acht was echt niet zo hoogstaand’

Haar sobere werkkamer is ondergebracht in het theater van de Universiteit van Amsterdam aan de Nieuwe Doelenstraat, haar huis staat in Maastricht. En Boxtel, de plaats waar ze geboren en getogen is en waar haar moeder en een broer nog steeds wonen, bezoekt ze als het kan eenmaal in de drie of vier weken. ,,Boxtel is mijn dorp, mijn thuishaven. Ik heb er achttien jaar gewoond, de hele familie heeft er op school gezeten”, zegt José van Dijck (41). Donderdag 11 april aanvaardt ze het hoogleraarsambt in de Televisie, Media en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. Een interview.

Per 1 mei 2001 bekleedt José van Dijck de nieuwe leerstoel Televisie, Media en Cultuur aan de UvA. Bijna een jaar later zal ze, geheel volgens de traditie van een klassieke universiteit, het hoogleraarsambt openlijk aanvaarden met het uitspreken van de oratie en zal ’een stoet van toga’s’ de Aula der Universiteit aan het Spui in Amsterdam domineren.

Bent u gespannen voor die bijzondere plechtigheid? ,,Natuurlijk, het is mijn maiden speech. Ik vergelijk het met het intreden in een klooster. Alleen ik trouw niet met God, maar met de wetenschap.”

Wanneer realiseerde u zich dat de wetenschap uw thuisbasis zou worden. De journalistiek heeft u ook altijd getrokken? ,,Zoals veel in het leven heeft toeval een grote rol gespeeld in mijn carrière. Nadat ik in 1979 mijn atheneumdiploma behaalde aan het Jacob-Roelandslyceum in Boxtel, ben ik in Utrecht literatuurwetenschappen gaan studeren. Na mijn doctoraalexamen ben ik naar San Diego gegaan om promotieonderzoek te doen aan de University of California. Je zou kunnen zeggen dat ik daar gevormd ben als wetenschapper.” ,,In die jaren ontdekte ik dat ik in de wieg was gelegd voor de wetenschap. Maar omdat ik het ook leuk vond om voor een publiek te schrijven, stuurde ik als freelancer regelmatig stukjes naar de Volkskrant. Dat was meer een hobby van me. Ik schreef over Hollywood of andere dingen die zich aan de westkust van de Verenigde Staten afspeelden. Leuk om te doen, maar ik koos toch bewust voor de wetenschap. Ik wilde iets stevigers dan de journalistiek, meer ruimte om me lange tijd vast te bijten in een onderwerp.”

Waar is de belangstelling voor mediastudies vandaan gekomen. U bent in Utrecht immers Nederlands gaan studeren? ,,Ik ben omgeturnd in de Verenigde Staten. Toen ik literatuurwetenschappen ging studeren, bestond er nog geen vak over media, laat staan dat ik er iets mee wilde doen. Dat is eigenlijk pas gekomen in de jaren negentig. In Amerika is mijn mediabelangstelling gegroeid. Ik ging weg om literatuurstudies te doen, maar kwam terug als mediadeskundige.” ,,Eenmaal terug in Nederland heb ik aan de Rijksuniversiteit Groningen de opleiding Journalistiek opgestart. Heel wat ideeën uit mijn vakgebied heb ik meegenomen uit de VS en in Groningen vormgegeven. De studie is inmiddels uitgegroeid tot een gerenommeerde opleiding.”

In 1995 stapte u over naar de Universiteit Maastricht en werd u hoofddocent. Vorig jaar volgde de overstap naar Amsterdam. Het is snel gegaan. ,,In Maastricht kreeg ik de kans om universitair hoofddocent te worden. Er was veel onderzoekspotentieel en het vakgebied is er grootgemaakt. Ik heb er een nieuw studieprogramma op mogen zetten.” ,, Op een gegeven moment werd ik gepolst voor het hoogleraarsambt aan de UvA. Een enorme uitdaging natuurlijk, zeker als je beseft hoe groot het vakgebied hier in Amsterdam is. We hebben bijna duizend studenten. Met jaarlijks driehonderd nieuwe eerstejaars zijn we uitgegroeid tot de grootste afdeling binnen de faculteit Geesteswetenschappen.” ,,Veel van onze studenten komen uiteindelijk terecht in beleidsfuncties in de mediawereld. Ze gaan werken in het explosief gegroeide Hilversum, dat is uitgegroeid tot een immens mediapark, of komen terecht bij een van de vele film- of productiemaatschappijen. De populariteit van de studie betekent dat we kampen met een flinke onderbezetting. Als wetenschapper behoor ik boeken en artikelen te schrijven en 30 tot 40 procent van mijn uren te besteden aan onderwijs. In de praktijk denk ik dat ik 90 procent van de tijd manager ben. Allemaal het gevolg van die groeistuipen.”

Waarop richt uw onderzoek zich? ,,De rol van de wetenschap in de media is mijn stokpaardje. De wetenschap wordt vooral op televisie enorm gepopulariseerd. Dat gebeurt in kritische programma’s, maar vooral in heel veel weinig kritische programma’s. Neem nu al die programma’s over ziekte en gezondheid. Ik heb studenten eens laten tellen hoeveel van dat soort programma’s uitgezonden worden. In één wijk bleef de teller steken op 24 programma’s.”

Veel van die programma’s hebben toch niets met wetenschap te maken, zo lijkt het. Het is toch vooral te doen om het tonen van soms schokkende beelden, zoals ER Live bij SBS6? ,,De spijker op z’n kop! Het heeft niets met wetenschap te maken.”

In een interview in NRC Handelsblad stelde u dat de publieke omroep ook een van uw stokpaardjes is. Kan de publieke omroep wel overleven bij zoveel commercieel geweld? ,,Ik zit zelf als wetenschapper in de publieke sector en ik vind dat een aantal vitale functies van de maatschappij altijd publiek moeten blijven. Dat zijn de gezondheidszorg, het onderwijs, de NS, water en elektriciteit en als het kan ook de omroep. De omroep moet een sterk toneel blijven voor publieke discussie en opinievorming.” ,,Vandaag de dag hoor je dat de kwaliteit van de publieke omroep door de druk van de commerciële omroepen onder druk staat. Het ligt een stuk genuanceerder, denk ik. Ik vind dat de Nederlandse televisie het überhaupt helemaal niet zo slecht doet. We maken hier hele goede documentaires en zijn heel goed in het omgaan met nieuws en achtergronden. Een programma als De Nieuwe Wereld van de VPRO is toch om van te smullen?” ,,Ook bij de verhalen dat de televisie vroeger veel beter was dan nu zet ik mijn vraagtekens. In de jaren zestig en zeventig hadden mensen evenveel of misschien wel meer reden tot klagen. Een van de Acht was kwalitatief echt niet zo hoogstaand als wel eens beweerd wordt.” ,,De zwakte van het publieke bestel is de versnippering. Door de zenderkleuring gaat het al een beetje beter, maar Hilversum is een ambtelijke moloch en de omroepen willen zichzelf vooral heel graag in stand houden.”

De telefoon stond vorig jaar na uw benoeming tot hoogleraar aan de UvA roodgloeiend. Journalisten vroegen u als deskundige het hemd van het lijf over de meest uiteenlopende kwesties. Ziet u zichzelf als televisieprofessor? ,,Tijdens mijn oratie zal ik aangeven dat ik juist geen tv-professor ben. Als je deze leerstoel bekleedt, denken ze dat je overal iets van af weet. Ik probeer mijn ’optredens’ te kanaliseren. Ik weeg alle verzoeken af en bepaal of onderwerpen tot mijn vakgebied behoren. Ik houd me graag bij mijn eigen leest en wil niet een soort Maarten van Rossem worden die overal voor gevraagd wordt.”

Hoe zit het met uw eigen kijkgedrag. Volgt u alles op televisie? ,,Door mijn drukke baan kijk ik heel gericht naar de televisie. Ik ben heus niet verslaafd of zo. Ik kijk kritisch als deskundige, maar kan ook gerust een hele avond zappen en van alles kijken. Ik ben vooral een nieuwsjunkie die alle journaals en nieuwsprogramma’s volgt. Mijn favoriete programma? ER.”




4 april 2002

Terug